roken


ROKEN EN MONDGEZONDHEID

In een recent krantenartikel  in juni 2003 in de 'Standaard' lezen we :
GROOT-BRITTANNIË
Recht op verzorging koppelen aan rook- en eetgedrag. Indien het van de Labourpartij afhangt, moeten zwaarlijvigen en kettingrokers in Groot-Brittannië binnenkort contractueel beloven te vermageren of te stoppen met roken. Anders zullen zij minder aanspraak kunnen maken op (gratis) behandeling bij de Britse nationale geneeskundige dienst. The Times maakte de opmerkelijke Labour-plannen gisteren bekend. De contracten die Labour voorstelt, sommen de maatregelen op die de patiënt belooft te zullen nemen, terwijl de gezondheidsdienst zich ertoe verbindt de patiënt daarbij met alle mogelijke middelen te helpen. De artsen zouden zich op hun beurt tot schadevergoeding verbinden als zij niet de gewenste resultaten behalen. (ap)
Roken is wel degelijk schadelijk. Hoe schadelijk het ook is voor de mondgezondheid leest U hieronder. De informatie die U in dit hoofdstuk terugvindt  is tot stand gebracht door de "EU-WORKING GROUP ON TOBACCO AND ORAL HEALTH" in het kader van het door de EU-Commissie ondersteunde programma "Europe against Cancer". Hierbij werd medewerking verleend door de "Health Education Authority" van de Engelse overheid.
Roken bedreigt niet alleen de algemene gezondheid, maar ook de mondgezondheid
Roken resulteert vaak in verkleuringen van gebitselementen en restauraties.
Roken heeft als neveneffecten ook een slechte adem, een verminderde smaak en een verminderd reukvermogen.
Roken beïnvloedt de wondgenezing op nadelige wijze.
Het mislukken van tandheelkundige implantaten komt significant vaker voor bij rokers dan bij niet-rokers.
Parodontale aandoeningen komen bij rokers vaker en in ernstigere mate voor. Stoppen met roken kan de progressie tot staan brengen en het resultaat van een parodontale behandeling verbeteren.
Mondkanker en de voorstadia ervan komen veel vaker voor bij rokers dan bij niet-rokers.

Interessante weblinks:
www.oivo.be
www.cdc.gov/tobacco

Leden van de beroepsvereniging vinden in bijlage de Pentalfa lezingen van 12.01.2006:

- longaandoeningen en roken
- mondkanker en roken
- parodontitis en roken
- cariës en roken




1. TABAKGEBRUIK EN ALGEMENE GEZONDHEID

Het is wetenschappelijk bewezen dat:

  • ongeveer 30% van alle soorten kanker en de daarmee gepaard gaande overlijdensgevallen

  • ongeveer 90% van alle vormen van longkanker

  • ongeveer 30% van alle hartziekten en herseninfarcten

  • ongeveer 80% van alle hartaanvallen vóór het 50ste levensjaar

  • ongeveer 70% van alle chronische longziekten

worden veroorzaakt door roken. Een omvangrijk onderzoek onder Britse artsen, waarbij ongeveer 40.000 artsen sinds 1955 werden gevolgd, heeft aangetoond dat rokers hun leven met zo'n 7,5 jaar bekorten, ongeacht de wijze van roken of de dagelijkse hoeveelheid. Uit diverse metanalyses is gebleken dat ook passief (mee)roken longkanker en ischemische hartziekten kan veroorzaken.

EditorImage_424_Smoke.jpg

1.1. Roken en longaandoeningen

Teer is de verantwoordelijke component voor het ontstaan van kanker. Hoe hoger het teergehalte van het tabaksprodukt, hoe hoger het risico. Longkanker is verreweg de meest voorkomende door roken veroorzaakte vorm van kanker. Ook veroorzaakt roken een verhoogd risico op het ontstaan van astmatische afwijkingen. De meest voorkomende chronische longaandoening is de zogenaamde "rokerslong", bestaande uit emfyseem en chronische bronchitis.

1.2. Roken en het hart-vaatstelsel

Roken beïnvloedt het cardiovasculaire systeem door de hartslag en de perifere vasoconstrictie te verhogen. In vergelijking tot niet-rokers hebben rokers een tweemaal zo grote kans op een myocard-infarct. De hoogte van dit risico wordt in belangrijke mate mee bepaald door de omvang van het tabakgebruik (zowel de dagelijkse consumptie, als de totale tijdens het leven gebruikte hoeveelheid tabak). Dit risico wordt nog verhoogd door andere cardiovasculaire risico's, zoals het cholesterolgehalte, hoge bloeddruk en overgewicht. De kans op een myocard-infarct daalt na het stoppen met roken: na 5 tot 10 jaar hebben ex-rokers vrijwel hetzelfde risico als nooit-rokers. Patiënten met een myocard-infarct, die daarna gestopt zijn met roken, halveren hun kans op een recidief of overlijden in vergelijking tot patiënten die zijn blijven roken. ARteriosclerose, met name in de carotis, de aorta en de grote arteriën in de benen, komt bij rokers vaker voor. Ongeveer driekwart van alle gevallen van claudicatio intermittens en aneurysma's in de aorta zijn toe te schrijven aan roken.

1.3. Roken en overige aandoeningen

Rokers hebben een verhoogd risico op osteoporose en ten gevolge daarvan op botbreuken. Degeneratie en prolaps van tussenwervelschijven in de wervelkolom komen bij rokers significant vaker voor. Recente studies hebben aangetoond dat rokers een vertraagde wondgenezing en meer postoperatieve infecties na chirurgische ingrepen hebben. Een verminderde vruchtbaarheid en een verminderde kwaliteit van het zaad zijn bij mannelijke rokers aangetoond. Karakteristieke veranderingen in het gelaat van rokers worden toegeschreven aan een verminderde elasticiteit van de huid.

1.4. Roken en zwangerschap

Roken tijdens de zwangerschap kan ernstige gevolgen hebben voor het (ongeboren) kind. Astmatische bronchitis bij jonge kinderen is voor een belangrijk deel te verklaren door het rookgedrag van de moeder tijdens de zwangerschap en de eerste jaren daarna. Infectieziekten van de bovenste luchtwegen worden dan ook veel vaker gezien bij kinderen die bloot staan aan passief roken dan bij kinderen waar dat niet het geval is.


 



2. TABAKGEBRUIK EN MONDGEZONDHEID

2.1. Esthetiek

Roken veroorzaakt een verkleuring van gebitselementen, waardoor de esthetiek vermindert. Deze invloed van roken is belangrijker dan het gebruik van koffie en thee. Verder worden bij rokers vaker en meer verkleuringen van tandheelkundige restauraties en prothesen gezien.

2.2. Speeksel

Gegevens over de lange termijn effecten van roken op de speekselvloed laten geen verschil tussen rokers en niet-rokers zien. Wel worden bij rokers meer lactobacillen en streptokokken mutans aangetroffen. Deze bevindingen kunnen mogelijk worden verklaard door veranderingen in de pH en in de antimicrobiële factoren uit bepaalde tabakscomponenten.

2.3. Cariës

Er is (vooralsnog) geen wetenschappelijk bewijs dat roken het ontstaan van cariës bevordert. Desalniettemin worden bij rokers hogere percentages verlies van gebitselementen en cariës gezien. Een causaal verband met roken is echter nooit aangetoond. Mogelijk dat een andere leefstijl van rokers hier debet aan is.

2.4. Reuk, smaak en slechte adem

Roken vermindert de prikkelgevoeligheid van de reuk en de smaak. Ook is roken een veel voorkomende oorzaak van slechte adem.

2.5. Wondgenezing

Tabaksgebruik beïnvloedt de wondgenezing negatief, hetgeen onder meer wordt toegeschreven  aan de verhoogde plasmaconcentraties van adrenaline en noradrenaline ten gevolge van het roken, welke aanleiding geven tot een perifere vasoconstrictie. Zo blijkt tabakgebruik de wondgenezing na parodontale chirurgie en extracties negatief te beïnvloeden en zijn onder meer significanter vaker "dry sockets" en pijnlijke extractiewonden bij rokers gemeld.



2.6. Parodontologie

2.6.1. Parodontale aandoeningen.

Vastgesteld is dat er een duidelijk verband bestaat tussen roken en de prevalentie en ernst van parodontale aandoeningen. Roken blijken vatbaarder te zijn voor parodontale aandoeningen en ontwikkelen deze op jongere leeftijd dan niet-rokers. Uit de resultaten van onderzoek bij grote groepen patiënten blijkt dat rokers meer marginaal botverlies, diepere pockets, meer verlies van aanhechting en meer furcatieproblemen hebben. Nicotinegebruik maskeert parodontale aandoeningen door de locale vasoconstrictie. Bloedend tandvlees als indicatie van een parodontale aandoening treedt hierdoor minder en in een later stadium op.

Roken is een onafhankelijke risicofactor. Dit blijkt uit onderzoek, waarbij andere risicofactoren voor parodontale aandoeningen, zoals mondhygiëne, plaque, tandsteen en socio-economische omstandigheden, werden uitgesloten. Hieruit kon worden vastgesteld, dat rokers een 3 tot 6 keer grotere kans hebben op parodontale aandoeningen dan niet-rokers. Deze directe relatie tussen roken en parodontale aandoeningen wordt nog eens bevestigd door het feit dat de parodontale afwijkingen bij rokers ernstiger zijn dan bij niet-rokers en ex-rokers.

2.6.2. Microflora

Epidemiologische en klinische studies hebben aangetoond, dat rokers meer supragingivale plaque hebben dan niet-rokers. Echter, als gekeken wordt naar de aangroei-snelheid van de plaque blijkt er geen verschil te bestaan tussen rokers en niet-rokers. Dit zou erop kunnen wijzen, dat rokers in het algemeen een verminderde mondhygiëne hebben. Onderzoek naar de subgingivale microflora laat geen verschil tussen beide groepen zien.

2.6.3. Afweersysteem

Aangezien er geen grote verschillen in de samenstelling van de subgingivale microflora gevonden zijn, zouden de vaker voorkomende en ernstigere parodontale aandoeningen bij rokers kunnen worden verklaard door een veranderd afweersysteem. Bij rokers zijn lagere immunoglobuline-niveaus IgG, IgA en IgM en hogere niveaus IgE gevonden. Ook zijn er bij rokers minder T-suppressor lymphocyten, maar juist meer andere lymphocyten aangetroffen. Verder is bekend, dat roken in en rond de mondholte de chemotaxis en de fagocytose door de neutrofiele granulocyten aantast. Tevens is er bij rokers een hoger niveau van cytokine TNF-alpha gevonden. Het precieze mechanisme, waardoor roken een negatieve invloed heeft op de parodontale weefsels, is echter niet bekend. Naast de mogelijke invloed van een (iets) andere microflora en/of een verminderd afweersysteem, is ook het cytotoxische effect van nicotine op de functie van de fibroblasten geopperd.

2.6.4. Parodontale behandeling

Parodontale behandelingen slaan bij rokers veel minder goed aan dan bij niet-rokers. Dat geldt zowel voor chirurgische als voor niet-chirurgische behandelingen. Ook zijn de succespercentages bij parodontale regeneratieve chirurgie bij rokers aanmerkelijk lager. Een soortgelijk negatief effect wordt gezien bij patiënten met zogenaamde refractaire parodontitis. Bovengenoemde negatieve effecten worden onder meer toegeschreven aan de cytotoxische en vasoactieve substanties van tabaksrook, die verantwoordelijk zijn voor een verstoorde fagocytose en een verminderde perifere doorbloeding.

2.6.5. Effect van stoppen met roken

Diverse studies laten zien dat parodontale aandoeningen minder vaak en minder ernstig bij ex-rokers dan bij rokers voorkomen. Ook is er een verband met het aantal sigaretten dat per dag wordt gerookt en met het aantal jaren dat is gerookt. In een longitudinaal onderzoek, waarbij gedurende 10 jaar 44 patiënten die gestopt waren met roken en 139 patiënten die waren blijven roken, werden gevolgd, werd in de eerstgenoemde groep significant minder botverlies gezien. Bovenstaande gegevens geven aan dat stoppen met roken de progressie van parodontale aandoeningen tot staan zou kunnen brengen of ten minste zou kunnen verminderen.



2.6. Parodontologie

2.6.1. Parodontale aandoeningen.

Vastgesteld is dat er een duidelijk verband bestaat tussen roken en de prevalentie en ernst van parodontale aandoeningen. Roken blijken vatbaarder te zijn voor parodontale aandoeningen en ontwikkelen deze op jongere leeftijd dan niet-rokers. Uit de resultaten van onderzoek bij grote groepen patiënten blijkt dat rokers meer marginaal botverlies, diepere pockets, meer verlies van aanhechting en meer furcatieproblemen hebben. Nicotinegebruik maskeert parodontale aandoeningen door de locale vasoconstrictie. Bloedend tandvlees als indicatie van een parodontale aandoening treedt hierdoor minder en in een later stadium op.

Roken is een onafhankelijke risicofactor. Dit blijkt uit onderzoek, waarbij andere risicofactoren voor parodontale aandoeningen, zoals mondhygiëne, plaque, tandsteen en socio-economische omstandigheden, werden uitgesloten. Hieruit kon worden vastgesteld, dat rokers een 3 tot 6 keer grotere kans hebben op parodontale aandoeningen dan niet-rokers. Deze directe relatie tussen roken en parodontale aandoeningen wordt nog eens bevestigd door het feit dat de parodontale afwijkingen bij rokers ernstiger zijn dan bij niet-rokers en ex-rokers.

2.6.2. Microflora

Epidemiologische en klinische studies hebben aangetoond, dat rokers meer supragingivale plaque hebben dan niet-rokers. Echter, als gekeken wordt naar de aangroei-snelheid van de plaque blijkt er geen verschil te bestaan tussen rokers en niet-rokers. Dit zou erop kunnen wijzen, dat rokers in het algemeen een verminderde mondhygiëne hebben. Onderzoek naar de subgingivale microflora laat geen verschil tussen beide groepen zien.

2.6.3. Afweersysteem

Aangezien er geen grote verschillen in de samenstelling van de subgingivale microflora gevonden zijn, zouden de vaker voorkomende en ernstigere parodontale aandoeningen bij rokers kunnen worden verklaard door een veranderd afweersysteem. Bij rokers zijn lagere immunoglobuline-niveaus IgG, IgA en IgM en hogere niveaus IgE gevonden. Ook zijn er bij rokers minder T-suppressor lymphocyten, maar juist meer andere lymphocyten aangetroffen. Verder is bekend, dat roken in en rond de mondholte de chemotaxis en de fagocytose door de neutrofiele granulocyten aantast. Tevens is er bij rokers een hoger niveau van cytokine TNF-alpha gevonden. Het precieze mechanisme, waardoor roken een negatieve invloed heeft op de parodontale weefsels, is echter niet bekend. Naast de mogelijke invloed van een (iets) andere microflora en/of een verminderd afweersysteem, is ook het cytotoxische effect van nicotine op de functie van de fibroblasten geopperd.

2.6.4. Parodontale behandeling

Parodontale behandelingen slaan bij rokers veel minder goed aan dan bij niet-rokers. Dat geldt zowel voor chirurgische als voor niet-chirurgische behandelingen. Ook zijn de succespercentages bij parodontale regeneratieve chirurgie bij rokers aanmerkelijk lager. Een soortgelijk negatief effect wordt gezien bij patiënten met zogenaamde refractaire parodontitis. Bovengenoemde negatieve effecten worden onder meer toegeschreven aan de cytotoxische en vasoactieve substanties van tabaksrook, die verantwoordelijk zijn voor een verstoorde fagocytose en een verminderde perifere doorbloeding.

2.6.5. Effect van stoppen met roken

Diverse studies laten zien dat parodontale aandoeningen minder vaak en minder ernstig bij ex-rokers dan bij rokers voorkomen. Ook is er een verband met het aantal sigaretten dat per dag wordt gerookt en met het aantal jaren dat is gerookt. In een longitudinaal onderzoek, waarbij gedurende 10 jaar 44 patiënten die gestopt waren met roken en 139 patiënten die waren blijven roken, werden gevolgd, werd in de eerstgenoemde groep significant minder botverlies gezien. Bovenstaande gegevens geven aan dat stoppen met roken de progressie van parodontale aandoeningen tot staan zou kunnen brengen of ten minste zou kunnen verminderen.



3. TABAKVERSLAVING

Tabaksgebruik is zowel aan emotionele als lichamelijke afhankelijkheid gerelateerd. Rokers roken om een bepaald nicotineniveau in hun bloed te handhaven. Zodra de hoeveelheid nicotine onder dat niveau komt, ontstaat de behoefte om te roken.  De gwoonte om te roken is vaak geassocieerd met bepaalde dagelijkse activiteiten zoals bijvoorbeeld koffie, thee of alcohol drinken en roken na een maaltijd. Ook is er sprake van een emotionele afhankelijkheid, zoals bij het omgaan met stress, angst of agressie, bij intellectuele inspanning of om te ontspannen.

Mensen beginnen om verschillende redenen met roken. Jongeren beginnen vaak uit nieuwsgierigheid met roken. Dit gebeurt vaker naarmate zij hun ouders zien roken. In bepaalde (jongeren)-groepen verhoogt roken de sociale acceptatie. Vooral bij jonge vrouwen wordt roken nogal eens genoemd als middel om het gewicht onder controle te houden. Het "glamour"imago van tabaksreclames kan mensen aanzetten om te beginnen met roken. De meeste rokers vertellen dat zij alleen maar roken, omdat ze er van "genieten".

Iedere roker die besluit om te stoppen met roken heeft daar zijn/haar eigen persoonlijke redenen voor. Dat kan een verandering in persoonlijke omstandigheden zijn, zoals bijvoorbeeld verandering van werkkring, een nieuwe levenspartner of zwangerschap. Ook de dood van een vriend of familielid aan een roken gerelateerde ziekte kan de doorslag geven om op te houden met roken. Verslechtering van de eigen gezondheid, sociale druk en controle of een verhoging van de prijs van tabak zijn factoren die hierbij een rol kunnen spelen.

Er is wetenschappelijk bewezen dat rook-interventie-strategieën effect sorteren. Zelfs een kort, minder dan 3 minuten durend advies van een gezondheidswerker resulteert al in 2% meer ex-rokers na 6 maanden. Meer uitgebreide interventiestrategieën scoren tot 10% meer ex-rokers. Veel rokers zijn er nog niet aan toe om te stoppen met roken: de verstokte rokers. Toch kan het belangrijk zijn hen alvast een duwtje in de goede richting te geven als investering voor een geschikter moment. Andere rokers heben de voor- en nadelen van roken al tegen elkaar afgewogen, maar zijn nog niet helemaal overtuigd: de twijfelaars. Zij kunnen geholpen worden door met goede argumenten de weegschaal naar de positieve zijde door te laten slaan. Enkele rokers zijn er eigenlijk al helemaal klaar voor: de overtuigden. Toch zullen velen van hen op een gegeven moment in hun oude gewoonte terugvallen. Dat is normaal. De meeste rokers hebben meer dan één stoppoging nodig om uiteindelijk definitief te stoppen met roken. Zij kunnen worden geholpen door te benadrukken dat iedere stoppoging een stap in de goede richting is. Stoppen met roken heeft onmiddellijk en op lange termijn effect:

  • na 20 minuten zijn de bloeddruk en de hartslag weer normaal
  • na 8 uur is het gehalte aan nicotine en koolmonoxide in het bloed al gehalveerd en is het zuurstofgehalte al weer normaal
  • na 24 uur is alle koolmonoxide uit het lichaam verwijderd en zijn de longen begonnen met het herstellen van de schade.
  • na 48 uur is alle nicotine uit het lichaam verwijderd en is het vermogen om weer normaal te ruiken en te proeven al sterk verbeterd.
  • na 72 uur gaat ademhalen al een heel stuk gemakkelijker en zijn de longen al weer zodanig hersteld dat men zich een stuk fitter voelt
  • na 2 tot 12 weken is de bloedcirculatie al zodanig verbeterd dat het een stuk gemakkelijker is om te wandelen en hard te lopen.
  • na 3 tot 9 maanden is de longfunctie met ruim 10% verbeterd
  • na 5 jaar is de kans op een hartaanval gehalveerd
  • na 10 jaar is de kans op longkanker gehalveerd en de kans op een hartaanval gelijk aan die van iemand die nog niet gerookt heeft

Het gebruik van nicotinevervangende producten, zoals pleisters, kauwgum en tabletten, verdubbelt de kans op succes. Nicotinevervangende producten zijn echter geen wondermiddelen. Ze helpen weliswaar bij het onderdrukken van het verlangen naar nicotine, maar zijn geen volledige vervanging voor sigaretten. Ze moeten voldoende lang conform de instructies op de bijsluiter gebruikt worden. Bij vermeende bijwerkingen, zoals bijvoorbeeld hartkloppingen, moet de huisarts geraadpleegd worden.


Additional Files: 
AttachmentSize
PDF icon caries .pdf1.32 MB
PDF icon mondkanker .pdf2.97 MB
PDF icon overleven.pdf1.63 MB